Zinsleer

Taal is ontstaan om te kunnen communiceren met elkaar. Daarvoor gebruiken we geen losse woorden, maar combinaties van woorden. Dat noemen we zinnen. Die zinnen worden op een bepaalde manier opgebouwd – je mag niet zo maar wat woorden bij elkaar gooien! De zinsleer beschrijft hoe zinnen gevormd worden en welke verschillende delen er in een zin zitten. Elk zinsdeel heeft een eigen functie en voegt iets toe aan de betekenis van de zin. 

In onderstaande video krijg je een heel kort overzicht van de verschillende zinsdelen die we kunnen onderscheiden.

Net zoals een detective die een mysterie oplost, kan je een zin onderzoeken door gerichte vragen te stellen. Beetje bij beetje kom je zo te weten wat er aan de hand is: wat wordt er verteld, over wie, voor wie, waar, wanneer, hoe, … 

Al deze vragen leiden naar bepaalde delen van de zin: de zinsdelen. Die worden hieronder één voor één uitgelegd. Kies hieronder waarover je meer informatie wilt, of doorloop het hele traject. 

Klik op de namen van de zinsdelen om rechtstreeks naar de juiste pagina te gaan. In elk deel gaat het verhaal verder…

1. De persoonsvorm

De persoonsvorm is de vervoegde vorm van het werkwoord: het staat in een bepaalde tijd (tegenwoordig of verleden) en een bepaalde persoon (ik, jij, hij/zij/het, wij, jullie of zij). Vandaar ook de naam: de vorm van het werkwoord die aangepast is aan de persoon.

Elke (enkelvoudige) zin heeft maar één persoonsvorm. Om die te vinden stel je de ja/nee-vraag. Het eerste woord van die vraag is de PV. 

Voorbeelden: 

  • Pieter draagt de mand met eieren. => Draagt Pieter de mand met eieren? 
  • Elke ochtend gaat papa een eindje fietsen. => Gaat papa elke ochtend een eindje fietsen? 

Oefening: zoek in deze zinnen zelf de PV: 

  • Een aantal jaar geleden werd er een komeet gezien boven Rusland. 
  • De komeet sloeg in met een onwaarschijnlijke kracht. 
  • Op de plaats van de inslag kan je nu mooie wandelingen maken. 

2. Het onderwerp

Het onderwerp is het zinsdeel dat met de persoonsvorm overeenkomt in persoon (1ste, 2de of 3de) en getal (enkelvoud of meervoud). Het is datgene waarover de zin gaat, datgene waarover er iets gezegd wordt.

Zoals je uit het filmpje kan afleiden, is het onderwerp verbonden aan de PV. Wanneer het onderwerp verandert (bijvoorbeeld ‘ik’ in plaats van ‘jij’, of ‘wij’ in plaats van ‘hij’), verandert ook de PV. 

Voorbeeld: 
Ik eet graag spaghetti. => Wij eten graag spaghetti. 

Om het onderwerp te vinden stel je – zoals in de video –  de vraag: ‘Wie / wat + PV?’ 

Voorbeeld: 
Gisteren verloor ik mijn evenwicht. => Wie/wat verloor? => Ik verloor. 

3. Het WWG en NWG

Zinnen worden niet zomaar gebruikt: je gebruikt ze om iets te vertellen over het onderwerp. Wat er over het onderwerp gezegd wordt, noemen we het gezegde. Er zijn twee soorten: 

  • Een werkwoordelijk gezegde 
  • Een naamwoordelijk gezegde 

Ontdek in deze video wat het verschil is tussen de twee. Daarvoor moet je wel de verschillende soorten werkwoorden kennen (bekijk daarvoor de pagina ‘woordleer’). 

Kort samengevat: als er over het onderwerp gezegd wordt dat het iets is, heb je een naamwoordelijk gezegde. Als er over het onderwerp gezegd wordt dat het iets doet, heb je een werkwoordelijk gezegde

Voorbeeld: 

  • Erik wil vliegen. Het hoofdwerkwoord is ‘vliegen’ (een zelfstandig werkwoord). Het belangrijkste wat er over Erik gezegd wordt, is wat hij wil doen: vliegen. Dat is een werkwoord. Je hebt dus een WWG. 
  • Erik wil piloot worden. Het hoofdwerkwoord is ‘worden’ (een koppelwerkwoord). Het belangrijkste wat er over Erik gezegd wordt, is wat hij wil zijn: ‘piloot’. Dat is een (zelfstandig) naamwoord. Je hebt dus een NWG. 

4. Het lijdend voorwerp / het naamwoordelijk deel

Een lijdend voorwerp (ook wel ‘direct object’ genoemd) is het zinsdeel dat de actie in het WWG ondergaat. Het is dus – zoals de naam aangeeft – direct betrokken, of moet de actie ‘lijden’ (zonder er zelf invloed op te hebben). Een naamwoordelijk deel is dan weer datgene wat er in een naamwoordelijk gezegde over het onderwerp gezegd wordt.

Vergis je dus niet: een lijdend voorwerp is iets totaal anders dan een naamwoordelijk deel! Ze staan samen in deze video omdat je ze op dezelfde manier vindt. Je stelt voor beide dezelfde vraag, namelijk: ‘Wie/wat + PV + O (+ andere werkwoorden)?’

Voorbeelden:

  • ‘De advocaat was zijn toga vergeten.’
    Wie/wat was de advocaat vergeten? => zijn toga (=LV)
  • ‘De advocaat was een echte dossiervreter.’
    Wie/ wat was de advocaat? => een echte dossiervreter (=ND)

Je merkt een belangrijk betekenisverschil: het ND is iets wat het onderwerp is (de advocaat = een dossiervreter). Voor het LV klopt dat absoluut niet (de advocaat ≠ zijn toga!).