Junior

Deze pagina vooral bedoeld voor leerkrachten van de basisschool, leerlingen of hun ouders. Hier worden enkele thema’s verder uitgelegd die niet altijd even eenvoudig blijken. Je vindt hier meer uitleg over rekenen met breuken (wiskunde / rekenen) en over het verenkelen en verdubbelen (Nederlands / taal).

1. Rekenen met breuken

Als je rekent met breuken, heeft dat niets te maken met een breuk in je arm of je been. Of toch wel?

Rekenen met breuken betekent dat je één ding in verschillende kleinere onderdelen breekt. Zo kan je één stokbrood in 3 kleinere stukken breken. Of een taart in 8 gelijke stukken verdelen.

Een breuk bestaat steeds uit twee getallen: het getal onder de streep (de noemer) vertelt in hoeveel delen je iets verdeeld hebt. Het getal boven de streep (de teller) telt hoeveel delen je hebt.
Voorbeeld: 2/5 (‘twee vijfde’) van een pizza: de pizza is in 5 delen verdeeld, en ik heb er 2 van.

Bekijk de video voor een volledig stappenplan van hoe je met breuken moet rekenen.

2. Verenkelen of verdubbelen?

Woorden juist schrijven is niet altijd even makkelijk. Waarom schrijf je ‘twee tomaten’, maar ‘twee patatten’? Hoe weet je nu hoeveel t’s je daar moet schrijven?

Bekijk de video om er alles over te weten te komen.

Dus, kort samengevat:

Verenkelen: wanneer een lange klank (bv ‘poot’) in een open lettergreep staat, valt er een klinker weg (bv ‘po – ten’).
=> Lettergreep open, klinkertje gaat lopen.

Verdubbelen: wanneer een korte klank (bv ‘pot’) in een open lettergreep staat, wordt de korte klank lang (bv ‘po – ten’). Om de klank kort te houden, moet je de medeklinker verdubbelen (pot – ten).